Vallei van Boi

De Sant Eliu in Barruera, c. 1130 Foto: www.centreromanic.com

In het Noorden van Spanje, in de Vallei van Boí (Vall de Boí) heeft in de elfde en twaalfde eeuw een bouwexplosie van kerken plaatsgevonden, die, relatief gezien, de bouwwoede van de Gotische kathedralenbouwers overtrof. Op een relatief klein gebied zouden in (kleine) dorpen kerken verschijnen, die gemeten aan het aantal inwoners groot zijn te noemen. Voor de decoraties, met name fresco’s, zouden ook kosten nog moeite worden gespaard.

In de vallei werden de Sant Climent en de Santa Maria in Taüll, de Sant Joan in Boí, de Santa Eulàlia in Erill la Vall, de Sant Eliu in Barruera, la Navitat in Durro, de Santa Maria in Cardet, l’Assumpció in Cóll en de Sant Quirc Hermitage in Durro gebouwd.

Wat opvalt is de eenheid in architectuur, georiënteerd op een model dat al in Lombardije ingang had gevonden, waarbij met name de hoge, smalle torens en de ronde arcades en bogen en pilasters aan de buitenzijde in het oog springen. Deze hoge torens tonen veel gelijkenis met de Italiaanse campanile, niet alleen wat betreft vorm, maar ook functie van wachttoren. De Sant Climent en de Santa Eulàlia vallen in het bijzonder op. Deze torens dienden, behalve als statussymbool en de symbolische weg naar het Goddelijke, als communicatiemiddel tussen de dorpen. In tijden van gevaar of bij andere gelegenheden communiceerden de gezagsdragers van de dorpen overdag met spiegels en ’s nachts met fakkels van toren naar toren.
Deze communicatielijnen waren geen overbodige luxe, waar twee bisdommen, Urgell en Roda, streden om de vallei binnen hun diocese te halen.

In deze feodale tijd heerste de Erill familie, afkomstig uit Erill la Vall, in de vallei en zij zou de bouw van deze kerken initiëren, stimuleren en (co) financieren bij wijze van zelf representatie ter legitimatie van de pas onlangs verworven machtspositie (mede naar aanleiding van hun rol in de reconquista onder Alfons de Krijger (1074-1134). De architectuur van de kerken, de hoge torens, Lombardische arcades en het metselwerk wijzen in de richting van Lombardische modellen en wellicht ambachtslieden.

Wat de kerken ook duidelijk maken is de symbiose van de feodale maatschappij in de heersende orden van geestelijkheid en adel. De kerk en in het bijzonder de bisdommen beleefden hun hoogtijdagen. De kruistochten, het schisma van 1054, dat de kerk in Rome tot voorvechter van de Latijnse kerk maakte, de opkomst van Cluny en de Cisterciënzer orde, de (administratieve) hervorming van de kerk en de daaruit voortvloeiende grote toename van het aantal bisdommen, de Godsvrede, de kerstening van de laatste heidenen op het continent, de reconquista, de (vooralsnog) dominante rol op juridisch, cultureel en maatschappelijk gebied, waren enkele van de factoren die de bisdommen en dus de bisschoppen veel prestige, macht en status gaven. Gevoegd bij de grote rijkdom van de kerk en de afzonderlijke abdijen, leidde dit tot de bouwexplosie in de vallei.

De Pantocrator in de Sant Climens, een reproductie, het origineel bevindt zich in het museum voor Catalaanse kunst voor Barcelona, meldt niet voor niets “Ego sum lux mundi”. Voor de dorpelingen was het duidelijk op wie dit op aarde doelde als vertegenwoordigers van het Rijk Gods of als door God gekozen wereldlijke leiders.