Het gallo-romeinse theater

Badiaux, gallo-romeins theater, begin tweede eeuw n. Chr. Foto: TES.

Het Romeinse theaters die vanaf het begin van de Romeinse overheersing aan het einde van de eerste eeuw v. Chr. gebouwd werden in het huidige Zwitserland, België, Noord- en Oost Frankrijk en de rechterrijnoever in Duitsland onderscheiden zich van het klassieke theater in meer geromaniseerde gebieden, zoals Zuid-Frankrijk (de provincie Narbonensis), de drie Spaanse provincies in Hispaniae, of in Italië. Het gaat om het in de wetenschap geduide ´gallo-romeinse´ theater, dat zich op een groot aantal (architectonische) punten onderscheidt van het klassieke Griekse (in Helleense gebieden van het Romeinse Rijk) of Romeinse type (in sterk geromaniseerde gebieden). Het Gallo-Romeinse theater weerspiegelde niet alleen een (lokale) elite, die weliswaar een theater onmisbaar achtte voor de Romanitas, maar geen theatercultuur had en lokale (bouw) tradities een eigen plaats gaven, mede door gebrek aan (bouw) kennis, (dure) materialen en financiële middelen.

De keizercult, dat is de (religieuze) verering van de keizerlijke familie en de princeps inter pares, stond net zo centraal als in de andere Romeinse gebieden, maar de uiting was verschillend. Er werd veelal gebruik gemaakt van hellingen om de ringen van zitplaatsen (caveae) te bouwen, bogenfassaden en gewelven ontbraken, de caveae liepen meestal verder door dan een halve ronde, een hoog decor (scaenae frons, zoals nog te zien in het huidige Orange of Mérida bijvoorbeeld) ontbrak, vaak was er daarvoor in de plaats sprake van een klein gebouw met een kleine bühne, gelegen voor de orchestra, de open ruimte voor de toeschouwersplaatsen. De orchestra wisselde ook sterk in grootte. Dominant aanwezig in het gallo-romeinse theater was echter de tempel, die vaak recht achter de bühne was gebouwd, goed zichtbaar voor de toeschouwers. Religie, altaren en tempels waren ook in Romeinse en Griekse theaters prominent aanwezig, maar het theatercomplex was veel groter en door de aanwezigheid van een scaenae frons was een theater niet te zien voor toeschouwers, of het betrof een theater, zoals het Pompeius theater in Rome, gebouwd in 55 v. Chr., dat juist bovenop de bovenste ring of cavea was gebouwd.

Het gallo-romeinse type had dezelfde (religieuze) functie, de keizerscult, processies en in samenhang daarmee theatrale opvoeringen, maar het gebruik was anders. Hoewel over de inhoud van het programma in deze minder geromaniseerde gebieden weinig bekend is, staat het vast dat er minder ruimte was voor tragedies, komedies, satyre of andere Griekse en Romeinse genres, maar meer voor (religieuze) zang, (panto) mime, koor en (religieuze) kultdrama´s. Het opvallendste echter aan de gallo-romeinse theaters, die enorm in grootte wisselden, van enkele honderden toeschouwers, tot enkele duizenden (zoals bijvoorbeeld in Augst (Augusta Raurica) of Avenches (Aventicum), is echter hun bestaan. De kleinste gemeenschappen wilden erbij horen en bouwden ook hun theater, veelal uiterst bescheiden, zoals in het huidige Dalheim (Ricciacus) in Luxemburg) of in Bardiaux (Boxum) in Oost-Frankrijk. Het gallo-romeinse theater in Bardiaux, dus zonder scaenae frons, gebouwd tegen een helling, bood plaats aan ongeveer 500 toeschouwers, het theater in bijvoorbeeld Arles aan 17 000 bezoekers. Romanisering was echter ook in meer afgelegen of het platteland aan de orde van de dag en het gallo-romeinse theater is daarvan bij uitstek het voorbeeld. (Literatuur: Th. Hufschmid (Red.). Theaterbauten als Teil monumentaler Heiligtümer in den nordwestlichen Provinzen des imperium romanum. Architektur, Organisation, Nutzung, Augst, 2016).