Keizers wil is wet.

Hadrianus (76-138), de laatste keizerlijke euergeet van een theater in het Westen. Foto: Wikipedia.

Privaat euergetisme, urbanisatie, monumentalisatie en een prominente rol van de keizer, diens directe omgeving en provinciale bestuurders lagen ten grondslag aan de bouw en renovaties van stenen theaters in de eerste eeuw van het keizerrijk. Augustus onderkende dat stabilisatie van zijn regime alleen kans van slagen had indien lokale elites zich loyaal toonden, belastinginkomsten genereerden en voor stabiliteit zorgden. In de drie Iberische provincies, de Italiaanse regio’s VIII-XI en Narbonensis zijn in alle belangrijke steden in de periode 27 v. Chr. 14 n. Chr. stenen theaters gebouwd. In de keizercultus speelde het theater als een van de belangrijkste publieke gebouwen een prominente rol en de bouw van twee grote theaters in Rome (Balbus en Marcellus theater) en de renovatie van het Pompeius theater waren de maat in deze gebieden.

Inscripties die wijzen op keizerlijk euergetisme bij theaters zijn alleen in Spanje aangetroffen in Augusta Emerita (Merida CIL II, 474) en Tarraco (Tarracona RIT 112). Daarnaast zijn inscripties gevonden van de belangrijkste notabelen en rijkste vrijgelatenen, in Corduba (Cordoba CIL II 2226) en Carthago nova  (Cartagena, AE 1992, 1076 en 1077) en Italica (Santiponce Sevilla CILA 3, 382 en 383). Dit past in het beleid in Rome, waar alleen de meest vooraanstaande euergeet, de keizer, een theater mocht bouwen. In provinciesteden kopieerde notabelen deze rangorde. Juist in de provinciesteden zocht en vond Augustus steun voor zijn regime en de lokale elite zal naar alle waarschijnlijkheid logistieke, financiële of materiële keizerlijke steun hebben ontvangen, direct of indirect via belastingvrijstellingen, Romeinse vaklui of het leger.

Een stadsbestuurder zal het waarschijnlijk niet in zijn hoofd hebben gehaald andere prioriteiten te stellen. In Spanje is  echter wel aantoonbaar dat de wens veelal de vader van de gedachte was, , bijvoorbeeld in Segobriga (Segovia) en Caesaraugusta (Zaragossa). De bouw in Caesaraugusta, een nieuwe, in 25 of 24 v. Chr. gestichte kolonie, is de bouw van het theater weliswaar pas onder Tiberius (na 14 n. Chr.) gerealiseerd, maar aan de hand van locatie en archeologische vondsten is vastgesteld, dat de planning en eerste werkzaamheden al onder Augustus zijn begonnen. Ook de grootte van het theater met een diameter van 107 meter voor ongeveer 7 000 toeschouwers doet vermoeden dat het een hoge prioriteit had, wellicht vanwege de vele veteranen die er woonden.

Ook het theater is Segobriga is pas in 40-70 n. Chr. gebouwd. Ook hier wijzen ligging en archeologie op een vroege planning, maar late uitvoering. Gebrek aan middelen, materiaal of vaklieden kunnen hieraan ten grondslag liggen. Er werd immers zeer veel gebouwd in deze tijd.

Augustus en Agrippa zijn in de periode 26-19 v. Chr. met tussenpozen in het onrustige noorden van Spanje geweest. Het zuiden, de provincie Baetica, was al sterk geromaniseerd en stabiel, maar het noorden zou pas in 19. n. Chr. gepacificeerd worden. Wellicht is Agrippa ook in het zuiden geweest. Munten in Gades en een inscriptie in Ulia (CIL II, 1527) zouden hier op kunnen wijzen. Vast staat in ieder geval dat de bouw van de theaters in de belangrijkste zuidelijke steden (Carthago nova, Corduba, Italica) in deze tijd plaatsvond.

Op het Iberisch schiereiland zijn 23 stenen theaters getraceerd. Alleen de theaters in Baelo, Regina, Baetulo, Segobriga en Caesaraugusta zijn na Augustus gebouwd. Na Vespasianus zijn er geen theaters meer gebouwd. Dit past in het beeld in het Romeinse Rijk, met Afrika als uitzondering, dat de interesse van de Flavische keizers voor het theater als propaganda middel afneemt, daarvoor in de plaats komen de badhuizen, circus en amphitheaters. Vanaf het moment dat de keizer andere prioriteiten had, de bouw van het Colosseum is daarvan wel het beste voorbeeld, volgde de lokale elite dit.

De keuze voor het juiste euergetisme op het juiste moment was een politieke keuze en de bouw van theaters in de provincies is hiervan een voorbeeld. Dit blijkt ook uit keizerlijk euergetisme door Hadrianus in 135 n. Chr. (zijn ouders waren afkomstig uit Italica) in Italica (CIL II, 478). Het snelle verval van het theater na Hadrianus wijst er op de lokale elite geen hoge prioriteit meer stelde aan onderhoud en renovaties of de kosten niet kon opbrengen. Ook dit is een aanwijzing van het belang van keizerlijke bemoeienis.

Na de Flavische keizers (na 69 n. Chr.) zijn geen nieuwe theaters zijn gebouwd. Dit stemt overeen met het beeld in Narbonensis en de Italiaanse regio’s VIII-XI. De aandacht verschoof naar villa’s, baden en vooral amphitheaters, die de keizerlijke voorkeur hadden. In het romaniseringsdebat zou voor theaters gesproken kunnen worden van een van bovenaf geïnspireerde monumentalisatie in de periode van de Julisch-Claudische dynastie. De lokale elite leende zich hier maar al te graag voor. Met hetzelfde gemak wisselde de voorkeur echter na de komst van de Flavische keizers.