Euergetisme en romanisering

Lucius Cornelius Balbus de Jongere in Cadiz, de laatste euergeet van theaters in het Rome van Augustus. Foto: Wikipedia

Euergetisme vindt haar oorsprong in de Griekse stadsstaten van het klassieke Griekenland, inclusief de Griekse gebieden in Zuid-Europa en Turkije. Er bestond een nauwe relatie tussen liturgische plichten, politiek en publieke ambten. De stichter van een stad, de κτ?στης, was het hoogste Griekse ideaal. Het bouwen, onderhouden en verfraaien van de (nieuwe) stad was ook het exclusieve recht van de elite, die ook als enige de middelen had. In Griekse inscripties wordt gesproken van ευεργετε?ν την πολ?ν , Griekse auteurs in de Romeinse tijd, bijvoorbeeld Cassius Dio (155-229), spreken van ?ιλανθροωπ?α of ευεργεσ?α (Cassius Dio LVI 39,1). Euergetisme zou in het Romeinse Rijk een veel belangrijkere rol spelen dan in Griekenland. In Griekenland was het euergetisme een plicht van de elite en bestuurders om de samenleving (beter) leefbaar te maken. Voor het verkrijgen van ambten in het democratische Griekenland speelde de vrijgevigheid wel een rol, maar als zodanig was euergetisme nog in noblesse oblige jasje gegoten. Het ontbreken van een groot territorium en de democratische ingestelde samenleving betekende voor de burgers een grote mate van betrokkenheid bij het politieke proces. Ook ontbrak de voor het Romeinse Rijk zo typerende strikte hiërarchische standenmaatschappij. De Griekse samenleving kende een mate van ‘checks and balances’ , die concreet, openbaar en voor alle burgers toegankelijk was. Bestuurders kwamen en gingen, konden weggestuurd, ter dood veroordeeld, verbannen of anderszins in openbare vergaderingen ter verantwoording worden geroepen. Ook Griekenland kende zijn aristocratie, rijke bovenlaag en rechteloze vreemdelingen, slaven en vrouwen, maar alle burgers hadden, in theorie, gelijke rechten. Deze maatschappelijke achtergrond vormt de basis van de opkomst van het Griekse theater, waar actuele politieke, sociale en internationale ontwikkelingen aan de orde werden gesteld in de komedies, tragedies en satirespelen. Euergeten financierden deze spelen en werden hiervoor veelal geëerd met standbeelden. Voor niets gaat de zon op, ook in Griekenland, en deze euergeten hadden hun eigen motieven voor deze vrijgevigheid, die echter nooit de omvang van het Romeinse euergetisme aan zou nemen.
Het Latijn kent meer woorden om dit begrip aan te duiden, omdat zijn rol in de samenleving van cruciaal belang was. Meer dan vijftig woorden kent het Latijn, enkele zijn merita, indulgentia beneficia, beneficientia, clementia, munificienti of,liberalitas. In de Republiek was euergetisme al een beproefd concept. De generaals uit de burgeroorlogen, die voorafgingen aan de vestiging van het Principaat van Augustus. Het theater en zijn voorstellingen namen vanwege het publieke karakter, de vele toeschouwers en zijn populariteit een belangrijke plaats in. In dit perspectief heeft Pompeius in 55 v. Chr. het eerste stenen theater in Rome ingewijd en bouwde de aan Caesar loyale Balbus zijn stenen theater in Gades, het huidige Cadíz, rond 45 v. Chr. Caesar begon na de bouw van het Pompeius theater met de voorbereidingen van zijn eigen stenen theater in Rome. Zijn dood in 44. v. Chr. verhinderde een spoedige voltooiing. Pas onder Augustus zou dit theater in 11 v. Chr. onder de naam Marcellus theater worden ingewijd. Stenen theaters waren juist vanwege de kans op politieke manipulaties door de machthebbers in de republiek bij senaatsbesluit verboden. Pompeius omzeilde dit verbod door het enorme complex als een tempel gewijd aan Venus te presenteren. In de Griekse gebieden van Zuid-Italië bloeide overigens wel een rijke theatercultuur met stenen theaters.

Het euergetisme kende ook in de republiek al vele toepassingsgebieden, maar pas in het keizerrijk zou het een sociaal, politiek en wettelijk systeem worden. Vanuit Griekenland maakte euergetisme de overstap naar de Romeinse samenleving. Met de komst van het Romeinse Rijk, de alleenheerschappij van de keizer en zijn gevolg, de strikte sociale hiërarchie, de enorme sociale verschillen en vooral de uitgestrektheid van het Rijk, kreeg het euergetisme een nieuwe betekenis. Het werd de smeerolie van de politieke orde op locaal niveau, van het Romeinse gezag in de provincies en van de stabiliteit. De locale elites en de centrale overheid deelden dit belang. Het euergetisme leent zich bij uitstek voor een discussie in het romaniseringsdebat. Was het nu een concept van bovenaf opgelegd, ‘top down’ of een ‘grass root’ ontwikkeling vanuit de locale elites ? Het theater in de eerste eeuw van het keizerrijk is bij uitstek een goede basis om dit te onderzoeken vanwege de aanwezigheid in alle delen van het Rijk, de snelle opkomst, de archeologische vondsten en de sociale functie.