Het Einde van de Eerste Wereldoorlog

C. Monet (1840-1926), 1899, De tuin en vijver in Giverny met Nympeas. Photo: Wikipedia.

De periode rond de vorige eeuwwisseling kenmerkte zich door belangrijke technologische, sociale, economische en culturele veranderingen in een relatief korte tijd. De opkomst van het moderne systeem van politieke partijen, kiesrecht en vakbonden, urbanisatie, nieuwe vormen van vrije tijd besteding, de film en radio, toerisme, nieuwe onderwijsvormen en wetenschapsbeoefening, nieuwe communicatie- en reismiddelen, de periode vanaf 1870 tot 1914 leek voor veel burgers en landen in het teken van de voortgang te staan. Op cultureel gebied vond deze dynamiek haar uitweg in een uitwisseling van internationale contacten, zoals die na de renaissance niet meer was voorgekomen. Directe contacten tussen kunstenaars (met Parijs als onbetwiste magneet), uitwisselingen door media, tentoonstellingen, colloquia en onderwijs, opdrachtgevers uit diverse landen die een gedeeld referentiekader hadden en een grote Europese (en in toenemende mate Amerikaanse) markt lagen ten grondslag aan nieuwe opeenvolgende ontwikkelingen. In landen die pas na 1918 onafhankelijk zouden worden, met name in Oost-Europa, was deze ontwikkeling net zo prominent aanwezig als in de gevestigde Europese grootmachten en andere onafhankelijke landen. In Praag, Boedapest of Helsinki was de dynamiek niet wezenlijk anders dan in Wenen, Parijs, Berlijn of Brussel.
Ondanks de etnische heterogeniteit, de lappendeken aan nationaliteiten, talen en regionale culturen en de politieke en nationalistische conflicten tussen en in landen, leek rond 1900 op het eerste gezicht niets op het naderende onheil van de twintigste eeuw. Het moderne leven leek Europa vast in de greep te hebben en oorlogen leken voorbehouden aan koloniale gebieden en in de randgebieden van Europa. Rond 1900 had Churchill er al wereldreizen, (militaire) avonturen en een journalistieke loopbaan opzitten voor hij in 1901 zijn maiden speech in het Engelse parlement zou houden. Rond deze tijd neemt hij ook vlieg- en autoles. Het zijn echter de tegenstellingen van de ogenschijnlijke Europese rust die hem gedurende de eerste parlementaire jaren bezig zullen houden en die achteraf ook de voorbode zijn van het onheil na 1914. De sociale onrust in Engeland, de vorming van de socialistische revolutionaire partij in Rusland, de eerste duikboten, de Duitse (vloot en koloniale) aspiraties, de niet aflatende oorlogen op en vanwege de Balkan, de tegenstellingen tussen platteland en stad, rijk en arm, de grote verschillen in politieke, economische en religieuze systemen in Europa en nog vele andere factoren wezen op grote onevenwichtigheden in de Europese samenleving.

Wellicht waren het juiste deze onevenwichtigheden, waaronder ook de explosieve groei van de metropolen, ten koste van het platteland en de provinciesteden, die ook hun weerslag vonden in culturele en wetenschappelijke uitingen. De creativiteit in wetenschap, muziek, literatuur, architectuur, beeldhouwen, schilderen of bijvoorbeeld de opkomende media zoals fotografie en film was nauwelijks bij te benen. De toegenomen welvaart (door industrialisatie en kolonialisme) maakte deze ontwikkeling in eerste instantie mogelijk en Europa leek er klaar voor. De sociale onevenwichtigheden bestonden echter niet alleen in landen, maar in toenemende mate ook tussen landen. Achter de façades van de Europese metropolen en hun politieke, economische en politieke elites stuitten traditie en conservatisme op de nieuwe moderne tijdsgeest. Dit zou leidden tot een wereldoorlog, die geleid werd door een generatie uit de negentiende eeuw, die echter de beschikking had over bewapening uit de twintigste den tot een wereldoorlog, die geleid werd door negentiende eeuwers, die echter de beschikking hadden over grafie entwintigste eeuw. De aanvankelijke algemene geestdrift voor deze oorlog is hierop deels terug te voeren. Europa had al 100 jaar geen groot conflict meer gekend en romantische verhalen van overgrootouders, nationalisme en relatief korte en succesvolle koloniale oorlogen creëerden een sfeer van optimisme, enthousiasme en strijdlust.

De kunst symboliseerde deze tijdsgeest bij uitstek. De deceptie zou des te groter zijn. Ook dit stemt overeen met de sociale realiteit, omdat achter de façade van snelle vooruitgang óók het prijskaartje van verpaupering en ontworteling van grote bevolkingsgroepen stond. Over de oorzaken of het eventueel voorkomen van de Eerste Wereldoorlog is veel geschreven en onderzoek gedaan. Relevant is de constatering dat teveel onevenwichtigheden, ook de zeer sterke bevolkingsgroei is bijvoorbeeld een relevante factor, de beleidsmakers boven het hoofd gegroeid zijn. De monarchen tutoyeerden en kenden elkaar, waren veelal nauw verwant, gunden elkaar beslist geen dood en verderf, maar ze handelden er wel naar uiteindelijk. Dat de Duitse keizer in juli slecht bereikbaar was vanwege een cruise in Noorwegen, zegt ook wat over de discrepantie tussen bijvoorbeeld de relatief snelle en effectieve mobilisatie per trein en het zeer gebrekkige gebruik van communicatiemiddelen door de politieke leiders. Dit zou ook de oorlog aanvankelijk typeren, waarbij moderne wapens en oude strijdmethodes funest waren. Maar liefst vier keizerrijken zouden uiteindelijk ten onder gaan en met name Frankrijk zou demografisch nog lang uitgeput zijn. Er waren eigenlijk geen winnaars en de winnaars die er waren maakten zich zelf weer tot verliezers door het Verdrag van Versailles. Een van de grote schilders uit deze tijd, Claude Monet (1841-1926), legde in deze jaren de basis voor wat pas na de Tweede Wereld Oorlog opgepikt zou worden: de abstracte kunst. Zijn kunst, gemaakt tijdens en vlak na de oorlog, droeg hij op aan de vrede. Het is symbolisch dat pas na 1945 zijn Nymphea erkenning zouden vinden. De Eerste Wereldoorlog was pas in 1945 voorbij.