Het Romeinse theater als politiek smeermiddel

Gnaeus Pompeius Magnus ( 106 - 48 v. Chr.), bouwer eerste stenen theater in Rome, 55 v. Chr. Foto: Wikipedia.

Een theatertraditie ontbrak in de westelijke provincies van het Romeinse Rijk tot aan het begin van het keizerrijk onder Augustus (keizer van 27 v. Chr. – 14 n. Chr.). Alleen in de Griekse nederzettingen in Spanje (Hispania) en Zuid-Frankrijk (Narbonensis) bestonden stenen theaters. Het zou tot het einde van de Republiek duren voordat stenen theaters ook in Rome en de westelijke provincies zouden worden gebouwd. Het theater was in Griekenland een belangrijk communicatiemiddel en speelde een prominente politieke rol in de samenleving. In de Republiek wilde de senaat daarom juist geen permanente theaters hebben, omdat deze instellingen misbruikt zouden worden voor politieke doeleinden. Het theater was immers niet zomaar een plaats voor het opvoeren van een komedie of tragedie, maar vooral een ontmoetingsplek van de elite en burgers. Daarnaast speelde religie een vooraanstaande rol in het theater. Processies, offerandes en andere religieuze rituelen waren een vast onderdeel van de theateropvoeringen, die dagen achtereen konden duren. De laatste decennia van de Republiek overtroffen theateropvoeringen en de grootte van houten theaters, die aan vele duizenden toeschouwers ruimte boden, elkaar in originaliteit en kosten. De kosten werden gedragen door generaals, die rijk geworden door buit, politieke ambities hadden. Ideologie, religie en propaganda gingen hand in hand. Het is tegen deze achtergrond dat Pompeius in 55 v. Chr. Het eerste stenen theater in Rome bouwde, gepresenteerd als tempel, omdat er inderdaad ook een tempel aanwezig was. Zijn grote tegenstrever Caesar liet het er echter niet bij zitten en begon aan de bouw van een theater in Rome, dat echter pas in 11 v. Chr. door Augustus voltooid zou worden en een stenen theater in Gades (Cadiz), dat door zijn bondgenoot Balbus werd voltooid in 44 v. Chr.
Onder Augustus werd het stenen theater een belangrijk ideologisch en politiek medium. Hij worstelde met de vraag hoe hij zijn monarchie in het Republikeinse Rome kon presenteren zonder koning genoemd te worden. Dat was zijn adoptief vader Caesar in 44 v. Chr. immers fataal geworden. Het Principaat, Augustus noemde zich princeps inter pares, kon immers niet verhullen dat in feite sprake was van een monarchaal systeem. Hij zette hiervoor onder andere het theater in. Het Principaat en zijn instituties lieten zich noch ideologisch, noch staatsrechtelijk precies definiëren. Van groter belang voor de legitimatie van de macht waren de ideologie, de propaganda en vooral het gevoel van vrede, veiligheid en economische voorspoed na decennia van burgeroorlog. Niet de letter van de (republikeinse) wet, die formeel in stand bleef, maar de keizerlijke ideologie en de keizercultus waren de feitelijke grondwet. Het theater werd een van de spreekbuizen en propaganda bouwstenen van het keizerrijk, een belangrijk communicatiemiddel, strikt hiërarchisch georganiseerd volgens een vaststaand bouwconcept. De theaters in Rome werden de architectonische maatstaf voor de provinciesteden en locale elites, urbs pro maiestatae imperii ornata. De locale elite, die de theaters en de opvoeringen zouden financieren, spiegelden zich aan de bouw- en cultuurpolitiek van de keizer en zijn naaste omgeving.

In deze ideologie waren theaters een belangrijk scharnier tussen de keizer en de burgers. De ideologische betekenis van het theater vloeide voort uit de alom aanwezige keizerscultus en omdat de opvoeringen plaatsvonden in naam van de keizer. Het theater was in feite een politiek gebouw en een medium voor massacommunicatie, waarbij religie, politiek en zelfrepresentatie van de elite en de financiers een centrale rol speelden. Augustus introduceerde om deze reden tal van nieuwe religieuze festivals en ceremonies, die in het theater tot uitdrukking werden gebracht in combinatie met opvoeringen. Door de religie en politieke ideologie nauw met elkaar te verbinden schiep Augustus een nieuwe structuur voor religieuze uitingen en loyaliteit aan zijn persoon en regime. Dit was de kern van de keizerscultus, die door priesters tot uiting werd gebracht. Augustus had het belang van theater goed ingeschat. Het politieke succes maakte het noodzakelijk voor de lokale elite ook in hun steden stenen theaters naar het voorbeeld van Rome te bouwen en festivals en ceremonies te organiseren, ten tijde van Augustus meer dan vijftig dagen per jaar. Het volk verwachtte dit van de keizer en dus van de lokale elite. Een stenen theater en opvoeringen waren niet alleen een gunst van de keizer en de lokale elite, maar ook een recht van het volk. In het theater maakte een politieke betrokkenheid van de burgers plaats voor een deelname aan de opvoeringen door het publiekelijk uiting geven van goed- of afkeuring van beleid. Augustus had immers in feite een monarchie ingesteld en verkiezingen voor de (hoogste) ambten vonden niet meer plaats. Het theater was het smeermiddel voor wat in feite een dictatuur was.