Euergetisme het smeermiddel van de maatschappij

Romeins theater in Mérida, c. 15 v. Chr. Foto: Wikipedia

Privaat euergetisme kan niet worden losgezien van de belangrijke plaats van steden en hun elites. De stad was in het Principaat de bakermat van het euergetisme. De locale elite moest haar (nieuw) verworven positie legitimeren naar de overige inwoners. De stad met haar relatief autonome positie, de gemeentelijke instituties waren in het hele rijk grotendeels gelijk, de jaarlijkse verkiezingen voor de (hoogste) ambten, de strikt hiërarchische indeling en de beperkte overheidstaken boden de ideale omgeving voor ideologisch geïnspireerd euergetisme naar het Romeinse model. De lokale elite sloot zich bij voorkeur aan bij de keizerlijke objecten voor euergetisme, dat leverde het meeste prestige en erkenning op, zowel locaal, als naar Rome toe. Je wist maar nooit waar goede contacten met het centrale bestuur nog eens goed voor zouden kunnen zijn. Aan de andere kant zocht en vond de keizer actieve steun van de locale elite door het financieren, stimuleren en initiëren van urbanisatie en monumentalisatie, waarbij theaters hoog op de ranglijst stonden. Het euergetisme door de locale elite was vooral een strategisch gebruik van de materiële cultuur, ingegeven door de noodzaak en in feite de plicht zorg te dragen voor publieke voorzieningen. Ook onderlinge wedijver was niet vreemd aan het euergetisme. Deze onderlinge competitie blijkt ook uit inscripties, zoals primus omnium om aan te tonen dat een bepaalde daad en euergeet zich onderscheidde van anderen.
In het Romeinse Rijk bestonden twee soorten privaat euergetisme, die beide hun oorsprong hadden in de Griekse stadsstaten. Euergetisme ob honorem was een weldaad uit hoofde of met het oog op het verkrijgen van een politieke functie. Kenmerkend hierbij is de belofte, die werd gedaan ter verkrijging van of bij de uitoefening van een bepaald ambt. Het object van euergetisme was aan de euergeet. Voedseluitdelingen, standbeelden, het aanbieden van banketten, organiseren van spektakels of het bouwen of onderhouden van theaters waren veel voorkomende mogelijkheden. Deze belofte wat niet vrijblijvend, maar op basis van keizerlijke wetgeving juridisch afdwingbaar. Ook meldde gemeentelijke wetgeving de ambtshalve verplichte objecten van euergetisme, zoals het onderhouden van de riolering, aquaduct of het wegennet.

Het euergetisme ob liberalitatem is een vrijgevigheid zonder belofte en niet ambtshalve. Deze vorm van euergetisme is dan ook niet rechtens afdwingbaar. Wel bepaalde keizerlijke wetgeving uit het begin van de derde eeuw dat eenmaal begonnen bouwwerken of onderhoudswerken ook moesten worden afgerond. Blijkbaar nam in deze tijd de animo of de financiële draagkracht af. Deze wetgeving paste overigens in het beleid dat al door Traianus was ingezet om de bouw van publieke gebouwen en hun financiering te regelen om te voorkomen dat (te) ambitieuze gebouwen een (te) zwaar beslag zouden leggen op de locale euergeten en de stad, wat immers weer tot lagere belastingafdrachten aanleiding kon geven. Ook zou hierdoor het prestige van de locale elite en de stabiliteit van de samenleving aangetast kunnen worden, nog afgezien van de verloedering van steden.

Privaat euergetisme was de norm in het Principaat en deze verantwoordelijkheid naar de gemeenschap kwam onder andere tot uitdrukking in het financieren van theaters en andere gebouwen voor spektakel. Augustus zelf gaf het voorbeeld door in Rome grote theaters te financieren. Dit zou navolging krijgen in alle grote provinciesteden. Het keizerlijke bouwmonopolie van openbare gebouwen in Rome impliceerde de hoge status van dergelijke gebouwen in de provincies. De realisatie van de zeer grote theaters in bijvoorbeeld Córdoba (Corduba), Lyon (Lugdunum) en Merida (Augusta Merita) was waarschijnlijk ook alleen mogelijk met financiële steun van de keizer, bijvoorbeeld door toestemming belastinginkomsten te bestemmen voor de bouw van een theater. De keizer had immers belang bij een loyale en stabiele locale elite. Daarnaast maakten standbeelden en andere presentaties in het theater wel duidelijk wie de baas was in het Rijk. Ook is het mogelijk dat het leger en zijn ingenieurs zijn ingezet bij de bouw, zo mogelijk op voordracht van de provinciale vertegenwoordigers van de centrale regering. Kortom, de bouw van theaters in de provinciesteden was staatsbelang en dit verklaart de aanwezigheid van stenen theaters in alle uithoeken van het rijk.