Integratie en sociale stijging in het Romeinse Rijk

Muurschildering, Pompei, 1e eeuw n. Chr. Het banket van Trimalchio uit Satyricon (Petronius) Foto: Wikipedia

De late Romeinse Republiek, de voorloper van het Romeinse keizerrijk, kenmerkte zich niet alleen door politieke onrust, burgeroorlog en gebiedsuitbreiding, maar door de toenemende rijkdom van de elite van senatoren, ridders, decuriones, burgers vrijgelatenen (voormalige slaven). Rijkdom impliceerde niet vanzelf prestige, status en klim op de maatschappelijke ladder. Vrijgelatenen traden bijvoorbeeld pas meestal na twee generaties toe tot een van de drie ordes (senaat, ridderschap of decurionum). Daarvoor was het vervullen van bestuurlijke, politieke of religieuze functies een voorwaarde, het volgen van het juiste curriculum, de cursus honorum. Grondbezit was in de agrarische antieke samenleving de belangrijkste bron van rijkdom en status. Handel en commercie was ‘not done’, en rijk geworden vrijgelatenen hadden altijd door deze activiteiten hun kapitaal vergaard. Voordat deze smet was weggewerkt gingen er minstens twee generaties overheen. De decuriones waren de bestuurders in de steden, de senatoren en ridders vervulden de belangrijkste politieke, religieuze en militaire functies in het centrale bestuur. Dit was, kortweg, het bestuurlijke systeem aan de vooravond van het keizerrijk.

De overgang van Republiek naar Keizerrijk, in 27 v. Chr. bij de formele machtsovername door Augustus, betekende geen sociale revolutie. De elite behield haar status ( al waren er wel grote personele veranderingen, veelal ook door gewelddadig overheidsoptreden). Ook veranderde het politieke landschap. In de republiek bepaalden machtige generaals en de senaat de politiek, in het keizerrijk maakte de keizer de politieke dienst uit. Tijdens de Republiek had de senaat de auctoritas en de honor, in het keizerrijk had nog alleen de honor. Ook de strikte formalisering van de ordes was een verandering. Slechts aan de hand van nauw omschreven criteria kon iemand tot een van de ordes worden toegelaten. Leeftijd, vermogen, afkomst, cursus honorum, een fatsoenlijk curriculum vitae, waarin in ieder geval geen strafrechtelijke veroordelingen mochten voorkomen en vooral de instemming van de keizer waren onontbeerlijk. De Romeinse elite met aan top de keizer zou voor de stedelijke elites in de provincies en in de Italiaanse gebieden het belangrijkste richtsnoer zijn. Hun functioneren, rol, mentaliteit en sociaal gedrag was de maat, althans in de westerse provincies en bezette gebieden. In het Oostelijke deel van het Rijk lag dit iets gecompliceerder. Dignitas en humanitas vormden de belangrijkste leidraad in het publieke leven en tegelijk ook in het private leven, daar deze twee sferen vloeiend in elkaar overliepen. Over de inhoud van deze begrippen wordt hier niet ingegaan, wel op de consequentie. De Romeinse standenmaatschappij was een schaamte- en opiniecultuur, waarbij de kleinste afwijking in de dignitas of humanitas werd aangegrepen om ten koste van de ander te stijgen.

Voor de stedelijke elite in de provincies en de Italiaanse gebieden wordt dit proces als romanisering geduid. Wat precies onder romanisering moet worden volstaan is omstreden en zelfs de term staat ter discussie. Het begrip dekt in ieder geval de lading van het proces van culturele uitwisseling van mentaliteit, waarden en normen, waarbij integratie en acculturatie van de Romeinse cultuur in veroverde gebieden het gevolg zijn. Romanisering is aan de andere kant ook lastig in kaart te brengen. Niet alleen zijn de schriftelijke bronnen of inscripties schaars, maar vrijwel altijd afkomstig uit de geromaniseerde of uit Rome afkomstige mannelijke elite. Over andere lagen van de bevolking (of vrouwen) is weinig bekend. Archeologisch onderzoek en vooral een regionale vergelijkende opzet kunnen echter wel degelijk patronen in kaart brengen. Een onderzoek naar romanisering is ook van belang in het proces van de huidige Europese politieke, economische en monetaire eenwording. Op Europees niveau wordt wel van alles besproken, maar daarmee is niet gezegd dat deze ‘top down’ benadering een cultureel, politiek en maatschappelijk draagvlak en dus een kans van slagen heeft. De grote Europese sprong voorwaarts van de de politieke, economische en monetaire unie zou wel eens een sprong in het diepe moeras kunnen zijn.