De lange adem van Noorse kunst

Bersekers uit de Lewis schaakstukken als torens in het schaakspel, c. 1150, Trondheim. Foto: Wikipedia

De Vikingen, een verzamelnaam voor bewoners van Scandinavische landen, speelden vanaf de achtste tot de elfde eeuw een belangrijke rol in Europa. Hoewel ze in Nederland vooral bekend staan als plunderaars, reikt hun culturele en politieke erfgoed veel verder. De eenzijdige kijk op de Vikingen komt vooral voort uit de overgeleverde schriftelijke Christelijke bronnen uit streken waar de Vikingen hebben huisgehouden.

De naam Viking is overigens al net zo’n negentiende eeuwse duiding als de Vikinghelm met horens. In werkelijkheid waren de bewoners van wat vanaf de tiende eeuw de koninkrijken Zweden, Noorwegen en Denemarken zouden worden, verdeeld over vele stammen en clans met een eeuwenoude geschiedenis. Over de periode tot 800 zijn verder alleen archeologische gegevens en incidenteel meldingen in antieke bronnen overgeleverd. Op basis hiervan ontstaat het beeld van georganiseerde sedimentaire samenlevingen met handelscontacten, die teruggaan tot de Griekse stadstaten en het Romeinse Rijk. Er was tot de vierde eeuw geen schriftcultuur, maar weer wel een ontwikkelde religieuze beleving, die gelijkenis vertoont met het Griekse pantheon.

De grote schok en negatieve berichtgeving in de Christelijke bronnen uit de achtste en negende eeuw is verklaarbaar. De noordelijke krijgers met hun snelle oorlogsschepen leken vanuit het niets op te duiken en zelfs de machtige Karel de Grote moest aanvankelijk machteloos toezien. Eerst waren de rijke kloostergemeenschappen in Engeland en Ierland de klos. Niet zozeer omdat de heidense Vikingen het voorzien hadden op de Christelijke religie, maar omdat de onverdedigde kloosters en abdijen nu eenmaal de rijkste buit beloofden. Daarna struinden de expedities de kustgebieden van de Lage Landen, Frankrijk, Noord-Afrika, Italië en Spanje af. De handelscontacten reikten tot in het machtige Byzantium, Rusland en China. De rooftochten, plunderingen en meedogenloos geweld waren naast het koopmanschap en de sedimentaire samenlevingen in de Scandinavische landen de structuren van de heidense samenleving. Wat dat betreft wijkt het beeld niet fundamenteel af van het tijdsbeeld, alleen was de strijdmethode met snelle schepen, die rivieren stroomopwaarts konden bevaren, een vernieuwing. In militair opzicht moesten de Vikingen te land echter wel degelijk wijken of oppassen voor goed georganiseerde tegenstanders.

Langzaam sijpelt het culturele, politieke en historische erfgoed van Vikingen ook Nederland binnen. Een tentoonstelling in het Drents museum en recente publicaties getuigen daarvan.  Noorse handelaren onderhielden zelfs al contacten met het Middellandse zeegebied. Klassieke (Romeinse en Griekse) bronnen zijn weliswaar schaars, maar enkele beschrijven wel degelijk de bewoners van het noorden. In de eerste jaren na het begin van de jaartelling, is er zelfs een Romeinse expeditie in het noorden van Jutland verzeild geraakt. Wellicht heeft de verpletterende van Varrus in Duitsland in 9 n. Chr. een einde gemaakt aan deze ambities. Archeologische bronnen over de cultuur, welvaart en samenleving in de Scandinavische landen zijn er des te meer. Er is zelfs een zekere mate van romanisering te duiden. Daarnaast zijn in graven en bij woongebieden veel voorwerpen gevonden van Romeinse of Griekse afkomst. Het gaat om veelal kostbare, luxe goederen zoals bronzen en zilveren vaten, glazen schalen en bekers, sierspelden, bronzen beelden, (gouden) sieraden en keramiek. Romeinse munten wijzen ook op deze handelscontacten.

In ieder geval hebben ze in hun thuisland geen toga gedragen, theaters gebouwd of in Romeinse villa’s gewoond, noch is een (Latijns) schrift geïntroduceerd. In ruil voor de zuidelijke luxegoederen exporteerden ze onder andere huiden, bont, zuivelproducten, barnsteen, touw van robbenhuiden en vee. Gezien de hoeveelheid archeologische vondsten, moeten er uitgebreide handelsnetwerken geweest zijn via de Oostzee, de monding van de Rijn, de Friese kust en de Zuiderzee.

De periode tussen de val van het Romeinse Rijk en de Vikingtijd was een bloeitijd voor deze regio (afgezien van de vele onderlinge stammentwisten- en oorlogen). Scandinavië was een relatieve oase van rust, terwijl de (gewelddadige) volksverhuizingen op het continent in volle gang waren. Het vermoeden bestaat dat in dit welvarende gebied rond 800 een groeiende bevolking en met name een overschot aan aristocratische krijgers het begin van de expedities betekende. De revolutionaire scheepsbouw maakte zeetransport over lange afstanden mogelijk. De chaos op het continent maakte het plunderen tot relatief eenvoudige ondernemingen, de zeetocht was waarschijnlijk het meest riskante onderdeel.

Karel de Grote en zijn opvolgers lukte het in bepaalde regio’s een zekere verdediging te organiseren, maar de plunderingen gingen tot in de tiende eeuw door. Vanaf de tiende eeuw vestigden de Vikingen zich echter in veroverde gebieden en dit leidde tot kolonisatie en staatsvorming van Europese en Amerikaanse gebieden. Groenland, Normandië en Engeland (voor het eerst onder een Noorse koning verenigd in 1066) zijn de actuele getuigen. Ook het door Noormannen gestichte Sicilië heeft het tot Napoleon volgehouden.

De andere kant van deze kolonisatie en staatsvorming was de overgang tot het Christendom aan het einde van de tiende en het begin van de elfde eeuw. Daarna zouden de Noorse koninkrijken als Christelijke vorstendommen (en bisdommen) een blijvende stempel op de Europese ontwikkelingen drukken.

Vanuit kunsthistorisch oogpunt is de ononderbroken lijn van het begin van de jaartelling tot de Romaanse kunst van de twaalfde eeuw echter interessant. De diermotieven en abstracte decoraties kennen een lange traditie en hebben hun apotheose gevonden in de Noorse Stavekerken en de Lewis Chessmen uit de twaalfde eeuw.