De veelkleurige Romaanse tijd

Houten replica van de maiestas domini van het altaar van Onze Lieve Vrouwe Kerk Avenas, 13e eeuw. Foto: Wikipedia.

De Romaanse kunst uit de elfde en twaalfde eeuw wordt veelal ten onrechte geassocieerd met religieuze gebouwen en voorwerpen. Dit denkbeeld wordt vooral gevoed door de afwezigheid van seculiere Romaanse gebouwen en kunstvoorwerpen, die maar in zeer beperkte mate te bezichtigen zijn. Romaanse kloosters, abdijen, kathedralen, gebedsboeken, relikwieën, sculptuur, fresco’s en andere kunstvoorwerpen zijn van Noord- tot Zuid-, West- en in mindere mate Oost-Europa ruim voorhanden.

De kerk was echter maar een van de peilers van de middeleeuwse, feodale maatschappij. Keizers, koningen, adel en in toenemende mate welgestelde burgerij hebben ook militaire, commerciële, privé- en openbare gebouwen en huizen laten bouwen in deze tijd en hun decoraties, ornamenten en kunstvoorkeuren zijn ook bepaald geweest door de tijdsgeest. Dat dit Romaanse erfgoed voor het allergrootste deel verloren is gegaan ligt in zijn bestemming besloten. Met de tijd werden gebouwen aan de eisen van de tijd aangepast, steden werden permanent gemoderniseerd, gerenoveerd en aangepast, al dan niet na oorlogs- of natuurgeweld. Ook werden seculiere gebruiks- en kunstvoorwerpen vanwege hun karakter veelal minder gekoesterd. Religieuze gebouwen, zoals kathedralen, bleven ook niet voor vernieuwing gespaard, maar Romaanse wortels zijn veelal nog wel herkenbaar en de stevigheid in constructie en gebruik van (stenen) materialen vergrootte de overlevingskans aanzienlijk. Ook bleven religieuze gebouwen vanwege hun karakter soms, niet altijd, gespaard voor oorlogsgeweld.

Aan de andere kant zijn wat tegenwoordig met ‘typisch Romaanse’ (pelgrims) kerken, kerkjes of abdijen wordt aangeduid, veelal in afgelegen gebieden te vinden en gespaard gebleven voor de innovatieve of revolutionaire krachten van een stedelijke omgeving. De innovatieve krachten vonden hun oorzaak veelal in status, macht en zelf-representatie van de (lokale’ elite en geestelijkheid. Voor revolutionaire bewegingen diende het gemak ook de mens en afgelegen religieuze gebouwen waren vaak (te) moeilijk bereikbaar of niet prestigieus of symbolisch genoeg om aan te pakken. Het kloostercomplex van Cluny is bijvoorbeeld bijna geheel verwoest, afgelegen Romaanse kerkjes in de omgeving bleven gespaard.

Een andere valkuil in het beschouwen van kunst uit de elfde en twaalfde eeuw zijn de aanpassingen uit de negentiende en twintigste eeuw. Vóór deze tijd was het begrip Romaanse kunst niet eens bekend. Het begrip zelf is een vroeg negentiende eeuwse aanduiding. Het nationalisme van de negentiende eeuw zag soms (gefingeerde) wortels van haar identiteit. Renovaties waren dan gebaseerd op ideologische motieven en wensdenken. Verbouwingen, decoraties en fresco’s werden veelal naar negentiende-eeuwse maatstaven ingevuld.

Ook de huidige schijn van de het sobere Romaanse interieur is bedrieglijk. Polychromie op sculptuur, wanden, zuilen en pilaren boden een veelkleurig beeld. In sommige religieuze gebouwen en sculptuur is het origineel nog te zien, al dan niet ernstig beschadigd. Replica’s uit een iets latere periode kunnen een goed inzicht geven in de oorspronkelijke polychromie. Op het altaar van de Onze Lieve Vrouwe kerk in Avenas, een klein dorpje vlakbij Mâcon, is aan de zijkant de majestas domini uit het begin van de twaalfde eeuw in een ongekleurde versie te zien. Door een houten kopie uit de dertiende eeuw zijn de kleuren bekend. Deze vondst duidt enerzijds op de bekendheid van het altaar en de functie van de kerk als pelgrimsoord, anders zouden er immers geen afbeeldingen van worden gemaakt. Anderzijds geeft het een uniek inzicht in de rijke kleurschakeringen van en in de Romaanse kerken.