Stenen theaters in westerse provincies

Maskers voor komedie, eerste eeuw n. Chr. Foto: Wikipedia.

In de moderne maatschappij is overheidsfinanciering van openbare gebouwen en publieke voorzieningen dagelijkse realiteit. Theaters, bibliotheken, wegen- en bruggenbouw zouden zonder deze financiële inbreng niet mogelijk zijn. Hoewel private sponsoring in een tijd van een terugtredende overheid een steeds grotere plaats inneemt, draagt de (lokale) overheid nog steeds de grootste lasten voor bouw en onderhoud. Sponsoring uit privé vermogen speelt een relatief kleine rol.

In de Griekse en Romeinse maatschappij namen welgestelde burgers echter nog het grootste deel van de kosten voor publieke voorzieningen en gebouwen voor hun rekening. Dit handelen, waarbij individuen vrijwillig geld aanwenden voor de (lokale) gemeenschap wordt euergetisme genoemd. De term euergetisme is afgeleid uit het Grieks en betekent ´weldoen´. Romeinse auteurs gebruikten deze en vele andere termen (merita, beneficientia, munificentia, liberalitas).

Euergetisme was meer dan een woord, het was een maatschappelijk concept, waarin machtsuitoefening, status en prestige centraal stonden. Het was een systeem waarbij de elite haar vermogen aanwendde om steden en de lokale gemeenschap te onderhouden, te moderniseren of de gemeenschap voorzag van wezenlijke voorzieningen. Het in standhouden en legitimeren van de sociale en politieke orde stonden hierbij voorop. De strikte hiërarchie, de grote sociale verschillen, de armoede op het platteland en van het stedelijke plebs, de slavernij en de geringe sociale mobiliteit gaven in de eerste eeuwen van het Romeinse keizerrijk tot relatief weinig sociaal geïnspireerde opstanden aanleiding. Euergetisme speelde hierbij een belangrijke rol.

Een aanzienlijk deel van de bestedingen voor euergetisme strekte zich uit tot brood en spelen, panem et circenses. Dit is waarschijnlijk het meest effectieve politieke programma dat ooit heeft bestaan. De sociale afstand was weliswaar groot en meestal onoverbrugbaar, maar er werd gedeeld door en tussen de elite, met de keizerlijke familie en zijn naaste omgeving als grootste euergeten. Deze perceptie van gemeenschapsgevoel was een noodzakelijke sociale houding om het maatschappelijke en sociale bestel te laten functioneren. Een ander gevolg van euergetisme was een toename van de economische bedrijvigheid. Grote bouwwerken en spektakels zorgden voor werk en inkomen. Dit vergrootte weer de koopkracht, de middenklasse, welvaart en daarmee de stabiliteit. De elite had alle belang deze situatie in stand te houden.

Euergetisme was vooral zichtbaar in de stad. De stad was de plaats van de elite, de epigrafie, gebouwen, spelen, spektakel en andere vormen van euergetisme waren het communicatiemiddel. Deze relatie impliceerde tevens dat euergetisme, hoewel vrijwilligheid haar kenmerk was, een zekere morele dwang kende van verwachtingen van de kant van de ontvangers, ‘noblesse oblige’. Hieraan lag een (sociale) superioriteit van de elite aan ten grondslag. Euergetisme was niet tot specifieke projecten beperkt. De euergeet had vrijheid van keuze. Weliswaar verwachtte de gemeenschap dat de elite een belangrijke bijdrage zou leveren aan de stad door het steunen en het organiseren van culturele, sociale en religieuze activiteiten, de keuze bleef uiteindelijk aan de euergeet.

Alleen stedelijke magistraten die uit hoofde van hun functie wettelijk omschreven verplichtingen hadden en bepaalde voorzieningen moesten steunen, hadden geen keuzevrijheid. Echter, juist om als zo’n magistraat gekozen te worden moest een euergeet daarvóór al van zijn vrijgevigheid blijk geven. Een van de belangrijkste onderwerpen van euergetisme was de bouw van stenen theaters. Pompeius was de eerste, die in 55 v. Chr. een stenen theater in Rome bouwde. Onder keizer Augustus en het Principaat zou de monumentalisatie en de bouw van theaters een enorme vlucht nemen en de Theatricalization zou tot in de kleinste provinciesteden in enkele generaties haar beslag krijgen. In Spanje en Frankrijk bestond tot Augustus geen theatercultuur (afgezien van locale Griekse plaatsen), of een theater. In 70 n. Chr. had iedere stad een stenen theater, betaald en onderhouden door de lokale elite, soms met steun van de keizer of diens naaste omgeving, waarbij de drie stenen theaters in Rome (de theaters van Balbus, Marcellus en Pompeius) tot voorbeeld dienden en de maatstaf waren voor architectuur, bouwmateriaal, stijl, iconografie en decoratie. Er werd als het ware met één architectonische stem gesproken in het Romeinse Rijk.