De Artes Liberales

Winchester Bijbel, c. 1160. Het leven van koning David. Foto: Bilbiotheek Winchester

In het Romeinse rijk werden de artes liberales gebruikt om zeven studievakken en/of wetenschappelijke disciplines te duiden. In de opvoeding van een gegoede Romeinse (mannelijke) burger was een gedegen kennis van deze gebieden een vanzelfsprekendheid. De in 1416 in een Zwitsers klooster aangetroffen complete tekst van de institutio oratoria, de opleiding tot een redenaar, van Marcus Fabius Quintilianus (c. 40-c.100 AD) spreekt boekdelen. Ook de snelle romanisering op deze gebieden in Romeinse provincies toont dat de locale elites het Romeinse voorbeeld volgden. De huidige term kunst wijkt overigens af van de Romeinse (of Griekse) connotatie. Een pottenbakker, schilder, mozaïek-of decorontwerper was in de eerste plaats een ambachtsman, die zijn handen letterlijk vuil maakte om zijn brood te verdienen. De artes liberales waren de basis van het curriculum van het (private) Romeinse onderwijssysteem. De zeven gebieden bestonden uit Grammatica, Rethorica, Dialectica voor correct, efficiënt en doorwrocht taal- en taalgebruik. Beheersing van deze vakken was het fundament voor het adequaat functioneren in het politieke en maatschappelijke leven. Naast deze basis van het woord was er het fundament van het getal, dat centraal stond in Arithmetica, Geometria, Astronomia en Musica.

Dit vakkenpakket van zeven disciplines zou in het middeleeuwse schoolwezen, de klooster- en kathedraalscholen, ook de kern van het onderwijs vormen. Pas met de komst van de (seculiere) universiteiten vanaf de dertiende eeuw zouden theologie, rechten, medicijnen en daarna steeds meer disciplines het curriculum bepalen, als antwoord op een maatschappelijke behoefte. Het is echter geenszins vanzelfsprekend dat de artes liberales, als heidense bronnen van geleerdheid, het Christelijke middeleeuwse curriculum zouden bepalen. Dit is met name te danken aan vijf bruggenbouwers in de vroege middeleeuwen, de vierde tot de zesde eeuw. Hoewel de andere kerkvaders ook een rol hebben vervuld in dit proces, moet in de eerste plaats Augustinus (354-430) worden genoemd. Hij pleitte voor het toepassen van heidense wetenschap ( in casu de artes liberales) en baseerde deze verzoening van het heidendom met het christendom op bijbelse teksten, zodat de legitimiteit buiten ieder twijfel stond. Zijn boek de doctrina christiana speelt hierin de hoofdrol. De publicatie van Martianus Capella (vijfde eeuw) De Nuptiis Philologiae et Mercurii of ook wel De septem disciplinis genoemd kwam ergens in de vijfde eeuw tot stand. In deze tekst breekt de (heidense) auteur een lans voor de zeven artes liberales. De derde bruggenbouwer is Anicius Manlius Boethius (c. 480-c. 525), die een groot deel van het klassieke filosofische erfgoed in het Latijn vertaalde. Juist op tijd, want korte tijd daarna zou het Grieks, althans in westelijk Europa, voor lange tijd in onbruik raken. Van oorsprong Ierse monniken in de abdij van St. Gallen waren in de achtste eeuw bijvoorbeeld als weinigen nog in staat Grieks te lezen en te vertalen. De consolatione philosophiae van Boethius, geschreven in de nadagen van zijn leven, wachtend op zijn executie, gold ook toen al als een meesterwerk. Flavius Magnus Aurelius Cassiodorus ( c. 484- c. 585) verdedigde in zijn Institutiones dat kennis van de artes liberales noodzakelijk was om de theologische studies aan te vangen, waarbij ook hier de bijbel houvast bood, ‘Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zeven zuilen heeft ze uitgekapt’. De vijfde peiler van de vroegmiddeleeuwse artes liberales was de bisschop Isidorus van Sevilla (c. 560-636), die niet alleen de patroonheilige van het huidige internet is, maar in zijn Etymologiae geeft hij een encyclopedische samenvatting van alle tot dan verzamelde en beschikbare kennis, een soort Diderot avant la lettre. De artes liberales nemen hierbij een centrale plaats in.

Deze vijf auteurs hebben het heidense erfgoed aan de volgende generaties in het Latijn doorgegeven en hebben vooral de artes liberales een Christelijke legitimatie gegeven. Middeleeuwse kerkelijke censoren konden niet om deze auteurs heen, wat niet wegneemt dat we wellicht nooit zullen weten wat de Christelijke eindstreep niet heeft gehaald. Bron: Prof. W.P. Gerritsen, Europa’s leerschool: de zeven vrije kunsten in de middeleeuwen (Leiden 2007)