De kroniek van Willem Procurator

Het sluitingsjaar 1205 van de Annalen van Egmond, De annales Egmundenses (Drs. Uitterhoeve, Alkmaar 1990), besluit met de woorden “Ziehier een lange reeks krijgsdaden, die wij, zij het dan ook met onbekwame stift, neergeschreven hebben. Als er zo mogelijk behalve deze nog andere gegevens te voorschijn komen, die hierop betrekking hebben, dan vertrouwen we de beschrijving daarvan aan iemand anders toe”. Inderdaad is de kroniek voortgezet door kapelaan Willem Procurator, die in de Chronicon het tijdvak 1206-1332 chronologisch aan de orde stelt. Willem of Wilhelmus was ten tijde van het schrijven van de kroniek over de periode tot 1321 Kapelaan in Brederode. Het tweede deel van de kroniek, geschreven vanaf 1324, schreef hij in zijn hoedanigheid van procurator van de Abdij van Egmond, vandaar dat hij als Willem Procurator door het leven gaat. Over het leven van Willem is verder niet veel bekend. Hij leefde waarschijn van het laatste decennium van de dertiende eeuw tot waarschijnlijk c. 1332, het laatste jaar uit de Chronikon. Willem heeft de Annalen van Egmond aantoonbaar in zijn kroniek verwerkt, wat onder meer blijkt uit de vrijwel letterlijke overname van delen van de tekst. Ook de kroniek van Martinus van Troppau (overleden in 1278), afkomstig uit het huidige Opava (Tsjechië) wordt aantoonbaar door Willem gebruikt. Deze kroniek was meest geliefde geschiedenisboek van de late middeleeuwen, met bijzondere aandacht voor de kerkelijke geschiedenis. De reikwijdte van Willem’s kroniek beslaat om deze reden nadrukkelijk ook gebieden in Oost-en Midden Europa, waar Martinus van Troppau veel aandacht aan besteedde.
De kroniek van Willem is voor het eerst vanuit het Latijn naar het Nederlands vertaald door drs. A. Uitterhoeve, aansluitend op zijn vertaling van de annales Egmundenses. Dit pionierswerk heeft nadien navolging gekregen en inmiddels is dit werk van Willem in een recente publicatie besproken (M. Gumpert, Kroniek Willem procurator. Hilversum 2001). Afgezien van de historische gegevens en de (on) betrouwbaarheid als historische bron, geeft ook deze kroniek weer interessante informatie over problemen die ook vandaag de dag nog actueel zijn. De relatie geestelijke leiders en wereldlijke leiders neemt vanwege de niet aflatende onenigheid in deze periode een prominente plaats in. Daarbij kiest Willem de kant van de paus en keert hij zich tegen de Duitse keizer, wat ook voor een geestelijke overigens niet vanzelfsprekend was.

Vermeldenswaard is verder de melding van een soort biologische oorlogsvoering avant la lettre in het jaar 1320. Het gaat over een decreet van paus Johannes XXII, waarin wordt bevolen de melaatsen te verbranden om te voorkomen dat dezen als handlangers van de vijand de bronnen en beken zouden besmetten. Willem keurt dit decreet in principe af, en slechts degenen die zich inderdaad aan dit verraad schuldig maken mogen aan de vlammen worden prijs gegeven. Ook maakt Willem, zelf een Benedictijn, melding van een moordaanslag door ‘de uiterste misdadige en geheime kunsten van die lieden van de orde der Minderbroeders’ op de paus. Dit is een indicatie van de onderlinge verhoudingen tussen de kloosterordes.

Van grote waarde is zijn levensbeschrijving van Graaf Willem II, de Rooms-Koning en Duitse keizer in spe, die door de Friezen in 1256 werd omgebracht. Willem windt er geen doekjes om, ‘O, vervloekt Friesland. Vanwaar die razernij, dat gij de graaf van Holland, de koning van Duitsland, de voorvechter van de hele Christenheid hebt gedood’. Zijn geleerdheid toont hij ook even aan door zijn klassieken van stal te halen, “Al het menselijke hangt aan een dunne draad” van Ovidius. Willem II en zijn voorgangers en opvolgers verkeerden in permanente staat van oorlog met Friesland, dat toen ook het grootste deel van het huidige Noord-Holland omvatte. Ook Graaf Floris V, die in 1296 het lot van Willem II zou delen, speelde een prominente rol in deze strijd. In 1287 meldt Willem dat “Floris van Holland, de vredelievende bevorderaar van zijn rechtsgebied, dagelijks oorlog voor tegen het Friese volk”. Ook Floris zou echter gewelddadig aan zijn einde komen. Willem beschrijft deze gebeurtenis in 1296 tot in detail en laat ook hier niet na zijn bijbelse kennis aan het woord te laten komen “Zie nu is graaf Floris gelijk geworden aan Petrus. Want hij, die zich in zijn jeugd haastte om de gewenste genoegens na te jagen, wordt, als hij tot rijpere jaren komt, door zijn slaaf omgord en naar plaatsen gevoerd, die allerminst bij hem passen”, overgenomen uit het Evangelie van Johannes. Het Latijnse origineel van de Chronicon bevindt zich in de Stadsbibliotheek van Hamburg onder Ms. Hist.Nr 17. (Bron en vertalingen: Drs. A. Uitterhoeve, Eerste Kroniek van Willem Procurator (Amsterdam 1995).