Het antieke theater als overlever

Diptiek van consul Areobindus, 506. Foto: Wikipedia

Het Byzantijnse Rijk beschouwde zich als culturele en politieke opvolger van het Romeinse rijk en de Griekse beschaving. Een van de meest karakteristieke symbolen was het theater. Vanaf het moment dat keizer Constantijn Constantinopel tot nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk maakte in 330, kregen ook daar het theater en andere gebouwen voor spektakel een prominente plaats. Er was weliswaar al een theater, gebouwd in de tijd van Septimus Severus (keizer van 193-211), maar na 330 werden er nog diverse bijgebouwd. Ook andere gebouwen voor spektakel, zoals het hippodrome, zouden een belangrijke plaats innemen in het stadsbeeld en samenleving. De theater opvoeringen beperkten zich ook in Constantinopel, zoals in de rest van het Rijk, met name tot mime en pantomime. Spoedig na de machtsovername van Augustus (keizer van 27 v. Chr – 14 n. Chr.) raakten tragedie en komedie op de achtergrond. De oorzaak is met name gelegen in een andere politieke context, waar de keizer en niet de verkiezingen doorslaggevend waren. In het keizerrijk was het theater vooral een plaats voor zelfrepresentatie en een graadmeter voor de populariteit van de keizer en de (locale) elite, die de opvoeringen, bouw en onderhoud (co) financierden. De prominente plaats van het theater en spektakel in Constantinopel blijkt onder andere uit de consul dyptieken. Consuls lieten zich vanaf de vijfde eeuw afbeelden op ivoren dyptieken in de context van een gebouw voor spektakel. Het Hippodrome spreekt daarbij ook vandaag nog tot de verbeelding, al was het alleen maar omdat daar in 532 de opstand tegen Justinianus begon. Deze opstand verwoestte onder andere de voorganger van de Hagia Sofia, die daarna in een recordtijd werd herbouwd in zijn huidige vorm, met het wonder van de koepel, die pas duizend jaar daarna door Ottomaanse bouwheren zou worden overtroffen. Ook bij keizers speelde het hippodrome een belangrijke rol in de zelfrepresentatie, wat onder andere tot uiting komt in de afbeelding van keizer Theodosius (346-395) op de obelisk in het hippodrome.
In ieder geval was het over en uit met het theater na 572. Meteen na de introductie van het christendom in 380 door keizer Theodosius, weerde de kerk zich tegen het theater en zijn acteurs. Het theater, met zijn heidense wortels en onderwerpen, was onaanvaardbaar voor de kerkelijke gezagsdragers. Daarnaast wilde de kerk juist zelf publieke voorstellingen in de kerk organiseren. In 398 vaardigde de kerk een ban uit over alle acteurs. In 529 verbood Justinianus de opvoeringen van mime en pantomime en in 572 volgde het verbod op dans. Het volk en elite lieten zich het theater echter niet zo maar ontnemen. De theaters zelf stonden leeg en vervielen, maar in paleizen, villa’s en openbare gelegenheden floreerden de voorstellingen. De kerk nam uiteindelijk het concept van het theater over en vanaf de negende eeuw werden kerken het toneel van passiespelen, dialogen en andere onderwerpen uit het leven van Christus en Maria. Dit zou eeuwen later ook in het westen ingang vinden. Terwijl de theaters vervielen tot ruines, overleefde het concept de oudheid en de middeleeuwen, niet alleen in terminologie, maar ook in architectuur, uitvoeringen en inhoud.